fluitekruid
Tilburg
schermbloem
flora
anthriscus sylvestris


flora ↣ schermbloemen ↣ fluitekruid

Fluitekruid

Anthriscus sylvestris

woensdag 14 juni 2017 | #fluitekruid #fluitenkruid #schermbloem #toeters

Fluitekruid is een hoge, bossige, levendig groene, overblijvende plant, die als eerste schermbloem in de tweede helft van de lente uitbundig bloeit, als de voorjaarsbloeiers tanen en de zomerbloeiers nog niet opvallen.

In herfst en winter is vaak hier en daar een enkele bloeiende plant te vinden. Fluitekruid overwintert door middel van okselknoppen van de onderste bladeren, die wortel schieten en tot nieuwe planten uitgroeien; na vruchtzetting pleegt de rest van de plant af te sterven.

De stengel vertoont talrijke sterke en zwakkere ribben. Stengelvoet en bladscheden zijn op de ribben behaard. De randbloemen van de schermpjes zijn enigszins stralend. De kroonbladen zijn afgerond of afgeknot. De vrucht is sigaarvormig met kegelvormige top, glad en glanzend zwart. De zijdelingse schermen zijn overwegend mannelijk. De in het voorjaar overvloedig voorkomende kiemplanten vallen op door hun lange lijnlancetvormige zaadlobben.

Verspreiding

Fluitekruid komt voor in bijna heel Europa, in West-Aziïe en in Noord- en Oost-Afrika. In Nederland is het naast Zevenblad de meest voorkomende schermbloem en een van de algemeenste veertig plantesoorten. In de loop van de 20ste eeuw heeft deze plant zich in de zandstreken sterk uitgebreid, vooral in bermen.

Fluitekruid groeit op voedselrijke, vochthoudende bodem, vooral op klei. In gebieden met van nature voedselarme grond verschijnt het pas na bemesting of een andere vorm van verrijking met voedingsstoffen.

Het groeit zowel op grazige als op matig beschaduwde plaatsen en tevens in ruig rietland; in alle drie deze gevallen vaak samen met Smeerwortel (Symphytum officinale) en Gewone bereklauw en/of een ondergroei van Hondsdraf (Glechoma hederacea), Speenkruid (Rannunculus ficaria) en Ruw beemdgras (Poa trivialis). In bermen en op dijken in het polder- en rivierenlandschap is Fluitekruid de meest opvallende aankondiger van de zomer; het 'Hollands kant' kan dijkbeemden en wegbermen geheel beheersen. Door bespuiting wordt het vaak ontsierd, maar niet verdreven. Beweiding verdraagt het slecht. In hooilanden wedijvert het vaak met Grote Vossestaart (Alopecurus pratensis), die omstreeks dezelfde tijd bloeit.

Bosplant en begeleider van stinzeplanten

Als bosplant is Fluitekruid kenmerkend voor loofbossen op jonge en/of omgewerkte bodem, evenals onder meer Zevenblad, Dagkoekoeksbloem (Silene dioica), Kleefkruid (Galium aparine) en Dauwbraam (Rubus caesius). Van nature hoort het thuis in Abelen-Iepenbos, Essen-Iepenbos en Schietwilgenbos.

Massaal optreden van Fluitekruid kan natuurlijke oorzaken hebben ('bemesting' met aanspoelsel in het winterbed van de rivieren). Vaak is het echter – met name in Essen-Iepenbossen – een gevolg van het kappen van bomen of van bodembewerking. In parkbossen is Fluitekruid, evenals Zevenblad, een vaste begeleider van stinzenplanten. Tot het onderhoud van zulke bossen behoorde het korthouden van de twee Schermbloemigen. Wordt een dergelijk beheer plotseling gestaakt, dan breiden ze zich vaak sterk uit ten koste van de stinzenflora, vooral in de halfschaduw van lanen of onder de bemesting van roeken en reigers. Fluitekruid staat verder dikwijls in bosjes in het polderland (bijvoorbeeld krengenbosjes, vooral op klei-op-veen).

Favoriete biotopen

Zijn grootste afmetingen bereikt Fluitekruid in het zoetwatergetijdengebied, waar het ruim twee meter hoog kan worden. Het handhaaft zich in de concurrentie met andere ruigteplanten hoofzakelijk daar waar het voordeel heeft van zijn vroege bloei en zijn schaduwtolerantie: in de beschutting van griendbos of rietland. Zowel Riet (Phragmites australis) als de kronen van Schietwilgen (Salix alba) sluiten zich pas als Fluitekruid al goeddeels uitgebloeid is, terwijl de meeste van zijn rivalen dan nog in bloei moeten komen.

Concurrenten

Tot deze concurrenten behoren onder meer Gewone bereklauw en Gewone engelwortel. In vergelijking met beide familieleden verdraagt Fluitekruid iets meer overspoeling: het komt voor tot ruim een decimeter beneden het gemiddelde hoogwaterniveau, al bereikt het zijn grootste vitaliteit in de hoogst gelegen delen van het Wilgenbos. In rietlanden en grienden wordt het dikwijls vergezeld door Bittere veldkers (Cardamine amara), die een overeenkomstige groei- en bloeiritmiek vertoont. In de rietberm lang kanalen vestigt de plant zich vooral op plekken, waar rietafval en/of aanspoelsel is verbrand.

Voedselplant

Fluitekruid is voedselplant van de zweefvlieg Cheilosia pagana. De larve leeft in de stengelbasis, voedt zich daar met verslijmend planteweefsel, overwintert in de penwortel en verpot in het voorjaar. Vanaf mei is de volwassen zweefvlieg op de schermen van Fluitekruid te vinden, vooral op licht beschaduwde plekken.

Uit: Weeda, Westra, Westra & Westra, Nederlandse oecologische flora, 1987, II pp. 252-254

Voor een verantwoording van de spelling en van afwijkingen van de oorpronkelijke tekst zie mijn toelichting op Weeda et cetera.

ℱ❧ℱ❧ℱ

Met de html-validator van W3C kan men de html5 van deze pagina controleren op fouten en foutjes.

Literatuur

Gerelateerde webpagina's en blogs

Een niet gedateerde maar heel plezierige en informatieve aanvulling vond ik op de site van Natuurvereniging IJsselmonde. Voorjaar en zomer, een wandeling in het Ridderkerkse griend, door Aart van Dragt. Een paar van mijn favorieten die daar de revue passeren: bitterzoet, moerasspirea, fluitekruid, grote brandnetel, kattestaart, gele lis.